Beloega

Bij het 60ste jubileum van Willy de walvis in de Rein


Ik loop met regelmaat mijn vaste ommetje. Mijn vaste ommetje bestaat uit een wandeling over de weg die mij het dorp uitvoert, en de uiterwaarden in leidt. Hier ligt een bescheiden natuurgebied van honderdtwintig hectare groot. Er lopen smalle paadjes tussen de wilgen door. In het voorjaar bloeit het fluitekruid en de boterbloemen. Tijdens het wandelen kom ik soms een kudde konikpaarden tegen. Dat is altijd nogal een ontmoeting. Borden waarschuwen om niet dichtbij te komen; de paarden zijn niet tam en kunnen hard bijten. Maar ik zag eens een fotograaf die midden in de kudde was gaan staan en die daar euforisch bezig was met zijn camera. De zon stond laag aan de hemel. Mist trok op vanuit de bodem. Er bevonden zich geheimzinnige resten van uitgebloeide, hoge distels op de achtergrond. En om de fotograaf heen stonden die briesende paarden met hun warme adem, hun dikke vachten en hun enorme ogen die de uiterwaarden niet alleen lijken te zien, maar ook lijken te begrijpen.
Runderen grazen ook in dit natuurgebied, maar die zijn echt levensgevaarlijk. Ik loop soms een half uur om als er een stier op het pad staat. Of erger: als er een moeder met een kalf in de buurt blijkt.
Het is niet zonder risico, de natuur. Zolang ze in een bloempot staat valt ze wel mee maar zodra ze de moeite wordt, moet je op je tellen passen.

Mijn vaste ommetje leidt door de uiterwaarden, naar de rivier de Waal. De Waal staat soms laag en soms hoog. En soms zo hoog dat hij tegen de dijken klotst. Dan valt mijn ommetje in het water.

Ik liep dus dit vaste ommetje, op een dag, en ik keek naar de Waal zoals ik dat zo vaak doe, toen ik mijn geweten hoorde spreken. Luid en duidelijk en heel vervelend.
‘Je moet je televisie weggooien,’ zei mijn geweten.
Onmiddellijk begreep ik dat het waar was.
‘Dat moet je echt doen,’ vervolgde mijn geweten, ‘want je hangt ervoor op momenten dat je zou moeten rusten of zou moeten lezen, of iets anders zou moeten doen wat inhoudelijk de moeite waard is. In plaats van dat je kijkt naar al die rommel die bovendien met het jaar tragischer wordt van kwaliteit. Goeie televisie wordt nou eenmaal bijna niet meer gemaakt. Het is allemaal commercie geworden. En je weet hoeveel goeie boeken je in je boekenkast hebt staan.’
Ik liep wat verder, langs de Waal. Ik keek naar hoe zijn golfjes wat mismoedig op het zand klotsten.

‘Ja maar ik ben moe ’s avonds,’ sprak ik mijn geweten tegen. ‘Te moe om een goed boek te lezen. Dan is het juist fijn, zo’n beetje onzin op dat scherm.’
Mijn geweten liet niet met zich sollen.
‘Je kunt ook muziek opzetten, een kaarsje aandoen en tot jezelf komen. Dan slaap je ook veel beter.’
‘Maar niet alles wat op tv komt, is per se rommel.’
‘Nee, ik kan ook wel een paar uitzonderingen bedenken,’ riep mijn geweten. ‘Maar het overgrote deel is wél rommel. Je merkt het alleen nauwelijks meer, zo erg ben je eraan gewend.’

Ik heb een hele grote televisie. Als hij uit staat, is het een soort zwart gat aan de muur.
‘En het nieuws dan,’ probeer ik nog.
‘Zoek het op, op internet. En wees een beetje kritisch. Zoek eens een geluid op, wat vanuit een andere hoek komt.’

De paarden zijn nergens te bekennen. Er zijn ook geen andere wandelaars, met wie ik een praatje aan kan knopen om mijn geweten te overstemmen.
‘Bovendien,’ zegt mijn geweten, ‘je hoeft niet zoveel naar het nieuws te kijken. Je wordt er maar depressief van. Je moet het beter doseren. Dan ben je gelukkiger, heb je meer energie, en kun je meer betekenen voor de mensen om je heen. Zo verander je de wereld. Niet door er verontwaardigd en bedroefd naar te kijken.’

Het is wel heel radicaal. En bovendien, hij was erg duur.
‘Je probeert een roman te schrijven over ecosystemen, weet je nog?’ zegt mijn geweten.
Ja, ik weet het nog. De roman ligt er al een tijd verlaten en verwaarloosd bij.
‘Als je je tv wegdoet, krijg je die wél af.’
Ik denk: ‘Ach, hou je mond.’

Dus ik loop verder, mijn vaste ommetje in de frisse lucht, de zon op mijn hoofd. Mijn kostbare wandelingetjes. Het heeft járen geduurd voordat ik ze in mijn leven ingebouwd had. Want er was altijd wat. Druk druk druk. En toen riep het geweten: doe wat rustiger aan. Beweeg wat meer. Ga wat meer naar buiten.
Ik heb toen geluisterd naar mijn geweten, en hij had gelijk. Maar in de zo onstane rust, hoor ik hem nu ook beter.
En nu gaat hij wel erg ver.

Iets verderop ligt een kleine aanlegsteiger, waar ’s zomers het fietspontje aanlegt. Ik ga hier graag even zitten en kijk naar het bekende uitzicht. Het is indrukwekkend, al dat water, de kracht die het heeft, de onverzettelijkheid waarmee het stroomt.
Ik doe net alsof ik niet meer nadenk over wat mijn geweten mij vertelde, maar dat is natuurlijk onzin. Eigenlijk besluit ik bewust mijn televisie niet weg te gooien. Zo lang heb ik hem nog niet en, zoals gezegd, hij was erg duur. Het was een traktatie. Iets wat we onszelf cadeau hebben gedaan voor onze gezamenlijke verjaardagen. Ik kan hem niet zomaar in de prullenbak gooien.

Ik sta op, ga op de rand van de aanlegsteiger staan en ik tuur in het donkere water. Ik hoop altijd om een vis te zien, zoals vroeger bij ons in de sloot. Daar zaten stekelbaarsjes en dat zag er zo leuk uit. Vissen zijn bewoners van een andere wereld, ze leven volgens andere wetten, en wie weet wat er hier in de Waal allemaal rondzwemt. Ik las laatst dat iemand een meerval had gevangen van twee meter lang en honderd kilo zwaar.
Er zitten hier monsters in de donkere diepte.

Ik buig voorover om beter te kunnen zien wat onzichtbaar is, en dan zie ik ineens een enorme witte vlek, eerst ver onder het wateroppervlak, maar hij komt snel dichterbij. Ik ben in verwarring. Het is een dier, waarschijnlijk, want hij lijkt te zwemmen. Maar wat voor dier is het? Dat formaat, zo groot, is het een meerval? Maar meervallen zijn niet wit. En die blijven op de bodem, ze scheren traag vlak boven het slijk. Terwijl deze witte vlek omhoog komt met een hoge snelheid, in een soort golvende beweging. Vlak voordat het enorme dier - dat nog veel groter is dan een grote meerval - met geopende bek uit het water springt en mij opslokt, herken ik hem van een documentaire van televisie. Die televisie, die dus toch echt nog wel ergens goed voor blijkt. Het is een beloega.

En beloega’s komen hier niet voor.
Laat staan dat ze mensen verslinden.
Maar dat is natuurlijk het punt niet van dit verhaal.

Sinds jaar en dag weten we dat mensen drie dagen in de buik van een walvis kunnen overleven. Of nog wel langer. Tenslotte daalde Pinokkio af in de buik van een walvis om zijn vader te redden. En daarmee redde hij niet alleen zijn vader, maar ook zichzelf. Want eerst was hij een pop, een marionet. Hij werd gestuurd door de touwtjes aan zijn ledematen. Maar aan het eind van het verhaal werd hij een echt mensenkind, met een gezond verstand en een vrije wil. Zo eentje die prima zonder televisie kan.

En natuurlijk Jona, die drie dagen in de walvis zat. Het is een oud verhaal dat aan alle kanten verbonden is aan andere eeuwenoude verhalen, over afdalen in het duister, in de hel. De zee als symbool voor chaos en verwarring. De grote vis als symbool voor gevaar en ontwrichting, maar ook voor nieuwe mogelijkheden. Zoals de zee tegelijkertijd óók de oorsprong is van het leven.

Het is hoe een verhaal tot stand komt in het hoofd van de schrijver: Eerst is er nauwelijks iets, alleen maar losse letters, een half idee of een opdracht, en in een ooghoek de afwas die nog gedaan moet worden. Maar de geest van de schrijver scheert erover heen. Hij scheidt de zin van de onzin. En stap voor stap bouwt hij dan een wereld die eerst niet bestond. Een mooie wereld? Ja. Als hij dat wil.

Drie dagen zat ik in de buik van de beloega. Hij zwom stroomopwaarts, de Waal uit en de Rijn op. Langs de kant stonden mensen naar ons te zwaaien en er was zelfs iemand die ons probeerde te vangen en op ons schoot. Maar de beloega dook eenvoudig weg en zwom verder. Een heel eind verderop leek de beloega op de plaats van bestemming te zijn aangekomen. Hij sprong op, in vol ornaat. Hij liet zich zien in zijn volle glorie, aan een groep politici, die eindelijk gestopt waren met hun vergaderingen, en die naar buiten waren gekomen. De zon op hun hoofden en de wind in hun haren. Eindelijk in de echte wereld.
Maar dat is weer een ander verhaal. Ik hoef dat niet te vertellen. Dat hebben anderen al gedaan.

En bovendien heb ik geen tijd meer om dat verhaal te vertellen.
Want ik ben eindelijk mijn roman aan het afmaken.



Noor Roelofs
Beuningen, 31 maart 2026